“Goed en Kwaad hadden nooit bestaan, de taal werd opnieuw kreet” schrijft Jef Geeraerts ergens in dit eerste deel van zijn Gangreen-cyclus. Hij beschrijft in dit boek de ontsnapping van een blanke man uit de verstikkende (seksuele) moraal van het katholieke Vlaanderen (en bij wijze van import & kolonialisme het Kongo van de ‘paterkes’ ). Geeraerts wil ontaarde boeken schrijven, die “de vracht van eeuwen geestelijke slavernij eindelijk kwijt raken!”. Retrospectief kijkt hij terug, “God in de hemel, het is nu al 1967 en wat ik hier ga vertellen gebeurde heel in het begin van die heidense, heilige periode, in het jaar 1955, het jaar van de basalten maagd ha”. Die eerste, meesterlijk lange zin hoorde ik hem zelf voorlezen op Zozegd vorig jaar in de Theaterzaal van Vooruit. Laat het nu net die stijl zijn die het boek zo goed maakt en redt van zomaar één van de vele schandaalboeken te zijn uit de woelige jaren ’60. Als één lange woord-stoot, komt Geeraerts’ relaas over zijn verblijf in het Kongo van de jaren ’50 eruit. Het is een bijna totale zuivering geworden, van wat Geeraerts ervaarde als een ziekte. Zo moet men ook de titel en het opschrift begrijpen: “Sommige gedeelten gingen reeds tot ontbinding over, want ik had te lang gewacht. Toen begon ik ze één voor één af te hakken. Dit is het verhaal van het eerste litteken.” Het boek is geobsesseerd door het lichaam en seks en springt van de ene seksuele extase naar de andere, doorspekt met indrukwekkende citaten waarin Geeraerts zijn gal spuit over de visie van de Kerk op liefde en seks. Het is één lang protest tegen wat hij het “frustro-purito-christo-racistisch syndroom’ noemt, een woord dat een prominente plaats verdient in elke psychologische encyclopedie. Geeraerts bestrijdt (zulke strijdvaardige woorden mogen misschien wel gebruikt worden) “de tekenen van de voortschrijdende aftakeling” met erotiek, en een litanie van seksuele ervaringen, die aan het religieuze beginnen te grenzen (Er wordt niet voor niets uit het Hooglied geciteerd, zowat het meest erotische dat je in de Bijbel kan terugvinden).
Het is nu net die carrousel van seks en nog meer seks die soms wat begint te vervelen. Men vergeet al vlug de werkelijke opdracht van het hoofdpersonage; aan de “onbereikbare rand van het oerwoud, een weerspannige maagd … een streep van negen kilometer doorheen … trekken met de hulp van een driehonderdtal niet bijster enthoesiaste negers die ik achteloos tot volgehouden arbeid trachtte te bewegen”. Wacht even, dacht ik tijdens het lezen van zulke passages, draagt dit boek de clichés over (luie) Afrikanen en, later in het boek, (minderwaardige) vrouwen gewoon niet verder uit. Dat leek me nu niet echt verlicht te zijn, voor een boek dat zijn gat veegt aan Westerse waarden. Het zijn dit soort vragen die een tegenstander van het boek terecht zou mogen vragen. Het hoofdpersonage geeft toe dat hij walgde van “vrouwen met cellulitis, hangende borsten, uitgezette buiken, zware uiteinden, afbrekende tanden, gezwollen voeten, die overal pijn hebben, die vlug moe zijn, wit verlies hebben, daar een geur van verrotting verspreiden,…” Er is bij hem de schrik dat als “ze eenmaal oud en rimpelig zou zijn als de vele uitgezakte, snuivende, dikke vrouwen van de wereld en dan was het alsof de hand van een geraamte mijn penis omvatte en ‘m niet meer los kon laten en dan kreeg ik het koud”. Afrikanen krijgen het al even hard te verduren. Ter verdediging van het boek, moet gezegd dat de auteur zijn eigen (blanke) volk allerminst spaart. Eén voorbeeld: “De blanke wet maakt de mannen zwak als kinderen”. Ten tweede, het hoofdpersonage houdt soms ook echt van de zwarte vrouwen waarmee hij voor korte of langere tijd in bed duikt: Mbala was “de eerste vrouw van wie ik heb gehouden dat het soms pijn deed …”. Misschien gaat het boek daarom nog het meest over wat het betekent een blanke Westerse man te zijn. Zijn vitaliteit vindt die man nog het meeste terug als hij zijn ‘Westersheid’ achter zich laat: “vanaf dit ogenblik was ik geen westerling meer, ik was nu totaal opgenomen in een geheime sekte, ik onderging nu de inwijding, sacraal, archaïsch, eeuwen cultuur vielen van mij af”. En als ware hij een herboren man, begon hem “eveneens in die dagen het beschaven der wilde volkeren … steeds minder te boeien –teken van groeiende bewustwording-”. Het is in die momenten als de carrousel van seks even stopt voor een kleine onderbreking dat het boek me het meest kon boeien. Op het einde van het boek bijvoorbeeld staat de onafhankelijkheid van Kongo voor de deur en wordt het hoofdpersonage afgesnauwd door een zwarte man: “Blanke, dat is jouw zaak niet”. Hij wreekt zich “in die seconden op het zwarte ras, ik wreekte ook de onvergefelijke lafheid van mijn regeerders, die niet hadden durven te vechten voor dit prachtige land”. Deze passage deed me nog het meeste aan J.M. Coetzee denken, die deze nazinderende blanke nijd om de dekolonialisering zo virtuoos beschrijft in zijn boeken.
Als 24-jarige meelezer vroeg ik mij aanvankelijk af wat de relevantie is van alweer een nieuwe herdruk van “zo’n schandaalboekske uit de jaren stillekes” en “gaat het hier gewoon niet om een nostalgische reflex van de Mei ’68-generatie die het maar wat graag nog eens wil hebben over zijn seksuele revolutie, zijn lak aan alles waar een weem van autoriteit aan vastkleefde?”. Het is onmogelijk voor mij om de impact van het boek toenertijd te vatten, maar met de terugkeer van het nieuwe puritanisme in onze maatschappij blijft het boek misschien relevant, dacht ik. Maar er blijft iets steken; er is namelijk maar zoveel dat een mens kan verdragen van de uitputtende beschrijvingen van andermans seksuele escapades. Ik wou de schrijver al vlug vragen om nu eens over iets anders te praten. (En gelukkig doet hij dat ook) Seks is immers een marketing-gimmick geworden en een schokeffect heeft het al lang niet meer. Ik bewonder wat de publicatie van Gangreen veroorzaakt moet hebben en de moed van Geeraerts, maar ik denk dat de taboes van onze tijd al helemaal ergens anders liggen. Het boek is voor mij echter wel meer dan een louter tijdsdocument, en dat heeft het vooral aan enkele geweldige passages over religie, de oorlogsdrift van de mens, huwelijksspanningen (de tirade van zijn vergeten vrouw!), en aan zijn magnifieke stijl te danken.
Categorie: conflict, Cultuur, fictie, jef geeraerts, nostalgie