Rik Pinxten’s bezwaar tegen de textualisering van het onderwijs (“Het onderwijsbeleid in de rijke landen verheldert hoe we op een afstandelijke weg van kennis-is-informatie zitten. We leren over de wereld enkel uit boeken en media” (Pinxten 2003: 15)) leek me allereerst om te slaan in een verheerlijking van de “directe ervaring”. We leren volgens hem de wereld kennen via “taal en teksten, niet langer door ervaringen” (14).
Dit denkbeeld plaatst lezen en cultuurconsumptie in een passieve en a-sociale hoek (“de solitaire en competitieve cultuurproductie [moet] eerder als uitzondering dan als rolmodel voorgesteld worden” (24)), terwijl het mede-ervaren met de anderen zou leiden tot een beter begrip van die persoon. “De lichamelijk en actief-artistieke ervaring is een heel belangrijke vorm van omgaan met het leven en met de ander, zeggen Keil en zijn medewerkers. Progressief verdwijnen ze echter uit de leervormen in onze ‘geschoolde’ maatschappij” (20). Maar het moet gezegd dat Pinxten dit later nuanceert: “Het ontmoeten van anderen leidt niet noodzakelijk tot meer of betere interculturele vaardigheden.” (100).
Pinxten zegt evenwel dat “mensen [...] bij [het ontwikkelen van identiteiten] verhalen (narratieven) en etiketten [ontwikkelen].” (84). Als we deel uit maken van een gemeenschap zijn we, als individu zelf in staat “hun vehalen bij te sturen of verder in te vullen.”‘ (85). In een interessante passage bespreekt Pinxten een vorm van communiceren (met anderen en met jezelf? en betekenisconstructie?) die het begrip van macht inhoudt, die de filosofie van de retoriek te hulp roept (Pinxten 2003: 31-32). Kunst in zijn beste vorm heeft wat van een communiceren met ‘een verdrongen ik’, volgens Pinxten: “Dat is het sterke en het herkenbare in deze kunstenaars: zij willen geen gelijk krijgen of verdedigen, maar zij dwingen tot bezinning, omdat de kijker onherroepelijk met een weggedrukt deel van zijn identiteit wordt geconfronteerd. Het beeld, om de woorden van Hermans te gebruiken, laat je toe om met jezelf te dialogeren, want je bent ook zo, maar niet in de verwachte rolpatronen van de consumenten- en prestatiemaatschappij (Hermans, 2001).” (44) “We zien dus de kunsten als levende betekenisconstructies, waardoor we in die uitgebeelde werkelijkheid telkens andere gezichtspunten ontdekken. De kunsten kunnen we zelfs beschouwen als een ‘prospectief geheugen‘: als een manier van denken die elke redenering vooraf gaat” (136) Volgens P. Fabbri wordt dit “Echte grote kunst is in principe veeltalig en daarmee bedoel ik dat men in staat moet zijn zich meester te maken van verschillende denk- en tekensystemen tegelijkertijd.” (Fabbri gecit. in Pinxten 2003: 136)
Uit: Rik Pinxten. De Artistieke Samenleving. De invloed van kunst op de democratie. Houtekiet, Antwerpen. 2003
Categorie: Cultuur, dialoog, identiteit, Onderwijs, Retoriek, Rik Pinxten, Verhalen